Adam (Daem) van Nuys (Nues)
?-4 januari 1560, Gelders overheidsdienaar
Zowel de geboorteplaats als het geboortejaar van Adam van Nuys zijn onbekend. Hij was gehuwd. De naam van zijn vrouw is niet bekend; zij overleed op 20 december 1559. Op 4 januari 1560 werd hij in Arnhem terechtgesteld.
http://www.historici.nl/media/bwg/images/1/-026.jpg
Vonnis van Adam van Nuys in 1560, Hof van Gelre, inv.nr 4503, fo 33r. (foto: RAG, J. Trispel)

Van Nuys was waarschijnlijk geen geboren Geldersman. Voor hij op 9 april 1546 door een aanstelling van de Gelderse stadhouder Filips van Lalaing als dienaar van de kanselarij in dienst kwam van de Gelderse overheid, heeft hij in Middelburg gewoond en waarschijnlijk ook in Dordrecht. Samen met drie anderen, die tegelijktijd in de functie werden aangesteld, behoorde hij daarmee tot de eerste dienaren van de kanselarij onder het Habsburgse bewind van Karel V. Voor een klein vast jaarlijks bedrag van 24 ponden en 12 schellingen (van 40 Vlaamse groten) verrichtten ze ondersteunende werkzaamheden bij het werk van stadhouder, kanselier en raden, en van de momber. Enerzijds moesten ze die bij de gewestelijke justitie assisteren bij het oppakken, bewaken en vervoeren van verdachten, anderzijds moesten ze ten dienste van het bestuur belangrijke berichten, waaronder geheime, en bevelbrieven wegbrengen. Dat laatste bracht hem regelmatig voor een aantal dagen van huis. Hoe hij verder in zijn onderhoud voorzag is niet bekend. Mogelijk heeft zijn vrouw een aanvullend inkomen gehad. Of ze ook kinderen hadden te onderhouden, lijkt niet waarschijnlijk.

Het leven van Adam van Nuys als dienaar van de kanselarij was ongetwijfeld niet kleurloos. Het was evenmin vlekkeloos: in ruim dertien-en-een-half jaar deden zich verschillende incidenten voor. Zo was hij in 1554, bij een langer bezoek aan Neuss – mogelijk zegt zijn naam toch iets over zijn herkomst –, zonder toestemming van kanselier en raden enige weken te lang weggebleven en niet zonder enig geldelijk fortuin teruggekomen. Daar werd hij op aangekeken. Dat geldt ook voor de vrijlating van de door hem gevangen genomen Dirk Vijgh, schout van Tiel, waaraan hij zou hebben meegewerkt en geld zou hebben verdiend. Desalniettemin leek Adam van Nuys voorbestemd snel te worden vergeten, totdat zijn leven eind 1559 een dramatische wending kreeg.

Toen hij op donderdagavond 21 december tussen vijf en zes uur terugkeerde van een reis uit Roermond, waar hij voor de gewestelijke overheid brieven had bezorgd, trof hij de deur van zijn huis op slot. Hij vroeg zijn buurman, Gerrit Bock, of die wist waar zijn vrouw was, maar zonder resultaat: die had haar de hele dag niet gezien. De buurvrouw, Nel Bock, wist dat het huis de hele dag gesloten was geweest, want zij had gezien dat er veel mensen vergeefs aan de deur waren geweest. Adam ging daarop met zijn buren mee en bracht daar de avond door, evenals een drietal weversgezellen die daar tot diep in de nacht hadden zitten drinken en spelen. Uiteindelijk was hij daar op zolder blijven slapen. De volgende morgen stond hij om zeven uur op en ging hij naar de andere buurman, Hendrik die Veer. Via zijn huis kon hij bij de achterkant van zijn eigen huis komen. Daar trof hij de achterdeur open. Zijn vrouw lag dood op de vloer.

Er volgde een bewogen dag. Nog diezelfde morgen werd hij ondervraagd door kanselier en raden, niet alleen het hoogste gewestelijke bestuurs- en rechtscollege, maar tevens zijn werkgever. Datzelfde lot ondergingen ook zijn buurman Gerrit Bock en buurvrouw Nel Bock. Hun verhaal was niet gunstig voor Adam, doordat zij verklaarden van een jongeman gehoord te hebben dat Adam al één dag voordat hij thuiskwam, in Arnhem was aangekomen. Inderdaad verklaarde nadien de betreffende jongeman dat hij reeds op woensdagavond in gezelschap van Adam met het veer de Rijn was overgestoken. Adam had voor die overtocht zelfs veel moeite gedaan, doordat hij de schipper, die het hoge water niet vertrouwde, onder druk had gezet met de mededeling dat hij dringend een brief bij de kanselier moest afgeven.

’s Middags werd Adam geconfronteerd met deze getuigenis. Aanvankelijk ontkende hij door te beweren dat hij pas een dag later, dus net voordat hij thuis aankwam, de Rijn was overgevaren. Maar toen de ondervragers dreigden met de pijnbank, viel hij op de knieën, vroeg om genade en bekende zelf zijn vrouw om het leven gebracht te hebben. Hij was inderdaad op woensdagavond thuisgekomen en had daarna met zijn vrouw ruzie gekregen. Dat was zo heftig geweest dat zij de hele nacht niet naar bed waren geweest en hadden zitten ruzieën. Uiteindelijk was het zover gekomen dat ‘zij hem ’t hooft zoe zeer gemaect’ had, dat hij haar had gewurgd. Het was een zwak moment, waarin hij ‘van zijnen sinnen berooft geweest’ geweest was. Dat bleek trouwens niet de eerste keer te zijn geweest. Toen hij nog in Middelburg woonde, had hij ook al eens iemand zwaar toegetakeld. Het slachtoffer had het toen net niet met de dood hoeven te bekopen.

Adam bleek dus een opvliegende ambtenaar wiens relatie met zijn vrouw niet bepaald goed meer lijkt te zijn geweest. Uit verder verhoor, een week later, bleek dat hij er een minnares op na hield. Deze Trijn Droognaph had geen aandeel gehad in de wurging, maar had wel een maand voor Adams doodslag hem laten weten dat, als zijn vrouw dood was, zij er met hem tussenuit wou trekken. Daarnaast bleek Adam ook nog van diefstal verdacht te worden. Die aantijgingen ontkende hij echter. Wel erkende hij enige tijd geleden de gevangen zittende Dirk Vijgh, schout van Tiel, in IJzendoorn te hebben vrijgelaten. Door zware druk van omstanders kon hij echter naar zijn zeggen niet anders. Hij had er niets voor gekregen.

Na zijn bekentenis werd Adam, in afwachting van het vonnis, op de Sint-Janspoort in Arnhem gevangen gezet. Op 4 januari 1560 werd hij door zijn vroegere collega’s opgehaald om de door kanselier en raden opgelegde straf publiekelijk te ondergaan. Hij werd levend op een rad gezet, geradbraakt en gedood. Het was precies twee weken na de door hem begane daad. Vervolgens werd zijn dode lichaam, nog gebonden op het rad, als afschrikwekkend voorbeeld op de markt neergezet, geflankeerd door een spinrok en een ‘knuppel’, symbolen voor de begane moord op zijn vrouw. Zo was Adam van Nuys in Arnhem even het gesprek van de stad. Nog één keer liet hij van zich horen, toen door een windvlaag het rad met zijn lijk ter aarde viel. Het werd nog niet weggehaald, maar voor korte tijd opnieuw opgericht.

Bronnen

  • RAG, Hof van Gelre, inv.nr. 4503 (crimineel sententieboek), 33r; ibidem, inv.nr. 4526 (crimineel procesdossier), nr. 2
  • RAG, Gelderse Rekenkamer, inv.nr. 1704 (rekening landrentmeester-generaal), 31v; ibidem, inv.nr. 1720 (rekening landrentmeester-generaal), 77r
W. van de Pas
Uit: Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 1, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Redactie: drs P.W. van Wissing, drs R.M. Kemperink, dr J.A.E. Kuys en E. Pelzers. Verloren Hilversum, 1998, pagina's 71-72.