Eduard Alexander van Beinum
1900-1959, Dirigent
Eduard Alexander van Beinum werd geboren in Arnhem op 3 september 1900 als zoon van Antonia Polman en de musicus Eduard Alexander van Beinum.Op 6 juli 1927 huwde hij met de violiste Sepha Jansen (1896-1986), uit welk huwelijk twee zonen werden geboren.Van Beinum overleed op 13 april 1959 te Amsterdam.
http://www.historici.nl/media/bwg/images/4/-006.jpg
Eduard van Beinum, Baarn 1956 (foto: Maria Austria/MAi)

Eduard van Beinum werd geboren in een nest van rasechte musici. Zijn grootvader Hermanus Jan van Beinum (eigenlijk de stiefvader van zijn vader), op 19 november 1835 in Nijmegen geboren, was weliswaar beroepsmilitair, maar werd tijdens zijn opleiding in het instructiebataljon in Kampen opgeleid tot hoornblazer van het muziekkorps. Hij huwde omstreeks 1864 met Isabella Maria Secq. Zij nam twee kinderen uit een eerdere relatie mee in haar huwelijk met Hermanus van Beinum; een van de twee was Eduard Alexander, de vader van de Eduard Alexander over wie deze biografische schets handelt.

Eduard van Beinum senior moet als kleine jongen al verrukt geweest zijn van de optredens van zijn vader. Het duurde in elk geval niet lang tot de jongen van een jaar of elf minstens zo goed hoorn blies als zijn vader. Al op zijn zestiende werd hij aangesteld bij de muziekkapel van het Achtste Regiment Infanterie in Arnhem als tubaïst, op voorwaarde dat hij ook contrabas zou leren spelen. Tien jaar later, in 1889, speelde hij bij de Arnhemsche Orkestvereeniging -al vanaf de eerste dag van haar oprichting. Eduard senior was getrouwd met Antonia Polman, die opgegroeid was in een boerenfamilie uit Angeren bij Huissen. Zij is het waarschijnlijk geweest die Eduard junior de uitgesproken liefde voor al wat Gelders was letterlijk en figuurlijk met de paplepel heeft ingegeven.

Eduard van Beinum junior, een nakomelingetje in het gezin van zes kinderen, werd op 3 september 1900 in de Schutterstraat in de Arnhemse wijk Klarendal geboren. Omdat het inkomen van een orkestmusicus schrijnend laag was, schnabbelde vader Van Beinum zoveel mogelijk bij door bijvoorbeeld op kermissen in naburige plaatsen te spelen. Toch schijnt Eduard als jongste, met vier oudere zussen, genoeg aandacht gekregen te hebben. Tijdens Van Beinums lagere-schooljaren woonde het gezin in de Sloetstraat 26. Toen Eduard elf jaar was, kon de familie groter en ook nog dichter bij het Arnhemse concertgebouw Musis Sacrum gaan wonen, namelijk in de Spijkerstraat 215. Hoewel van Eduards HBS-jaren niet meer bekend is dan dat hij veel belangstelling voor het vak geschiedenis had, bruiste de jongen thuis van energie, als het ging om muziek maken. Thuis bleef zijn talent natuurlijk niet onopgemerkt. De muziekpedagogische ervaring van zijn negen jaar oudere broer Co, die tot omstreeks 1912 als violist verbonden was aan het Arnhemse orkest, net als hun vader, en daarbij ook koordirigent was, bleek toen al van onschatbare waarde. Omdat Co hogere ambities had, combineerde hij zijn nieuwe baan als muziekleraar op de Rijkskweekschool voor Onderwijzers te Arnhem met verdere vioolstudie bij Louis Zimmerman in Amsterdam. Intussen werd er thuis veel muziek gemaakt met collega-musici van vader Van Beinum, waarbij het nogal eens voorkwam dat er een partij onbezet bleef en de jonge Eduard op viool of piano die partij mocht spelen.

Al spelend, waarbij hij steeds de beste aanwijzingen kreeg, weinig studerend, maar toch met een groeiende ervaring, rolde Eduard van de ene uitdaging in de volgende. Hij kreeg eerst vioolles van zijn broer Co, vervolgens pianoles – op advies van een van de collega’s uit vaders orkest – van Frans Hillen. Tenslotte, omdat die partij het vaakst onbezet was, werd de jonge Eduard ook nog de altviool in zijn handen gedrukt. Een heel frappante uitspraak deed de veertienjarige Eduard, toen hij voor het eerst met zijn moeder het Concertgebouworkest in Arnhem had horen optreden ter gelegenheid van het jaarlijkse Caecilia-concert: “U zult nog eens meemaken, dat ik voor dit orkest kom te staan”, waarop zijn moeder nuchter opmerkte “dat hij dan maar flink moest studeren en erg goed zijn best moest doen ...”.

Ongemerkt behaalde Eduard op zijn zestiende jaar zijn HBS-diploma en kennelijk even gemakkelijk kwam hij in het Arnhemse orkest terecht om daar voor de duur van ongeveer een jaar de altpartij te vervullen. Toen kwam het moment dat vader en oudere broer Co de musiceerdrift van de zestienjarige in strakkere banen wilden leiden en daarbij aan een professionele muziekopleiding dachten. Co, die intussen in Amsterdam woonde, wist Eduard uiteindelijk over te halen om aan het Amsterdams conservatorium het toelatingsexamen hoofdvak piano te doen. In de commissie zat onder meer de pianist en organist J.B. de Pauw, een gerenommeerd pianopedagoog van met name Willem Andriessen en Evert Cornelis. Een onderdeel van het examenprogramma was het Eerste Pianoconcert van Beethoven, dat Van Beinum goed speelde, al merkte De Pauw op dat zijn levendige gelaatsuitdrukking geheel in strijd was met de tamelijk schoolse uitvoering van het werk. Dankzij het inzicht van deze pedagoog mocht Eduard een improvisatie spelen ‘in de trant van Mozart’ en daaruit bleek onmiddellijk de gave van de rasmuzikant, die de sympathie van de examencommissie voor zich wist te winnen.

Van Beinum, die gedurende zijn studietijd in Amsterdam woonde, verheugde zich telkens op de dagen die hij in het ouderlijk huis kon doorbrengen met de gezelligheid van het gezin en Gelderse lekkernijen. Van Beinums zoon Bart heeft het in de biografie van zijn vader over balkenbrij en verrukkelijke krentenbroden. Dat Eduard van Beinum deze bijzondere kostelijkheden waardeerde, bleek een kleine twintig jaar later, toen hij met een weids gebaar de toenmalige assistent artistiek medewerker van het Concertgebouworkest Marius Flothuis verraste met een grote schaal balkenbrij.

In 1923 slaagde Van Beinum met glans voor het eindexamen piano, maar koos uiteindelijk niet voor een solocarrière. Hij trad veeleer op in ensembles of als begeleider van solisten; in elk geval ging zijn voorkeur uit naar professioneel samenspel. Eduard voorzag in zijn levensonderhoud door het uitoefenen van een viertal functies als dirigent van het koor van de Sint-Nicolaaskerk in Amsterdam, van het Toonkunstkoor te Schiedam, van het Toonkunstkoor van Zutphen en van het amateur-orkest in dezelfde plaats. Wederom verbrokkelde Van Beinum zijn muzikale gaven door drie koren en een amateur-orkest te dirigeren – dit alles zonder de specifieke opleiding daarvoor. Daarbij trad hij op als pianist en af toe componeerde hij ook nog. Toch bleken dit leerzame jaren, niet zozeer vanwege de optredens met zeer uiteenlopende gezelschappen als wel vanwege het menselijke aspect de vaardigheid te ontwikkelen om amateur-gezelschappen de best mogelijke muzikale prestaties te laten leveren.

Van het allergrootste belang voor zijn privé-leven was de ontmoeting met Sepha Jansen, die haar carrière als violiste begonnen was in het Concertgebouworkest te Amsterdam, maar die functie al snel verruilde voor een eigen solocarrière en lespraktijk. Het moet in 1924 geweest zijn dat Eduard de vier jaar oudere Sepha voor het eerst als pianist begeleidde en de eerste concerten met haar samen gaf. In elk geval groeide het musiceren uit tot een vaste relatie, die uiteindelijk tot een huwelijk zou leiden. Eén van de belangrijkste jaren in het leven van Van Beinum bleek 1927 te zijn. Toen kwam er een eind aan zijn activiteiten in Zutphen en Schiedam, omdat hij een aanstelling wist te verkrijgen als dirigent van de Haarlemsche Orkest Vereeniging. Vlak erna, op 6 juli van dat jaar, huwde hij Sepha Jansen.

In de korte tijd dat de jonge Van Beinum aangesteld was in Haarlem, heeft hij het orkest in technisch opzicht op een nog hoger niveau weten te brengen. Hij verbreedde het repertoire met barokmuziek, waarbij hij vaak zelf de maestro al cembalo was. Ook 19de- en 20ste-eeuwse Franse en Nederlandse muziek zette Van Beinum op het programma van het Haarlemse orkest. Intussen werd het orkest ook op de hoogte gehouden van het wel en wee van het jonge echtpaar. Kenmerkend voor Van Beinums optreden was dat het complete orkest op 9 juli 1928 werd getracteerd op taart en koffie ter gelegenheid van de geboorte van de oudste zoon Eduard.

Het was tevens in deze Haarlemse periode dat hij enkele keren als gastdirigent optrad, onder andere bij het Amsterdamse Concertgebouworkest, waar Willem Mengelberg de scepter zwaaide als eerste dirigent, Pierre Monteux als tweede eerste dirigent en Cornelis Dopper als tweede dirigent. De laatste legde in 1931 zijn stokje neer. Het was onder meer te danken aan Monteux dat Van Beinum de opvolger kon worden van Cornelis Dopper. Hij begon vanaf 1931 als tweede dirigent naast Willem Mengelberg. Muzikaal presenteerde Van Beinum zich met een zeker niet populair, makkelijk te spelen en te beluisteren programma. Hij voerde met het orkest namelijk de Achtste Symfonie van Beethoven en de Achtste Symfonie van Bruckner uit. Hoewel Eduard Haarlem inruilde voor Amsterdam, zou hij naast zijn dirigentschap in Amsterdam tussen 1935 en 1940 ook dirigent blijven van de R.K. Oratoriumvereniging Haarlem.

Het repertoire waarmee hij in Haarlem al was opgevallen, werd nu bij het Amsterdamse Concertgebouworkest ook nog uitgebreid met aandacht voor de Weense klassieken, Bruckner en de contemporaine componisten. Hij wist daarmee in zijn programmakeuze te manœuvreren tussen de terreinen van de specialist in Franse muziek, Pierre Monteux, en van Mengelberg, die zoals bekend een grote voorliefde voor Mahler, Richard Strauss en de grote romantici had. Intussen begonnen zijn aimabele karakter en zin voor democratisch beleid door te werken op het orkest. Het werd al snel bekend dat hij de muziek dirigeerde en niet het orkest, hij was de primus inter pares, zoals Wouter Paap zich hem herinnerde.

Hoewel deze nieuwe dirigeerstijl bij het soort publiek dat een dirigent nog steeds het liefste zag als een tirannieke held, niet in goede aarde viel, kreeg Van Beinum wel steeds meer uitnodigingen in binnen- en buitenland. Een paar keer ging het erop lijken dat hij als vaste dirigent aangesteld zou worden bij het Residentieorkest en, iets eerder al, bij het Utrechts Stedelijk Orkest. Het mag als een geluk voor alle partijen beschouwd worden dat Van Beinum op 10 januari 1938, dankzij initiatieven van orkestmusici, tot vaste eerste dirigent van het Concertgebouworkest naast Willem Mengelberg benoemd werd.

Intussen woonde het gezin Van Beinum al een paar jaar in Amsterdam, weliswaar nabij het Vondelpark, maar dat kon zijn verlangen naar Gelderland en de Veluwe toch niet doen verdwijnen. Hij wist vaak samen met Sepha en hun oudste zoon naar familie in Arnhem te reizen of te logeren in een pensionnetje in Garderen. Kleine uitingen van Van Beinums liefde voor het Gelderse waren niet alleen logeerweekends en jachtpartijen op de Veluwe, maar ook de aanschaf van een Gelderse plattebuiskachel, die hem kennelijk herinnerde aan de balkenbrij die zijn moeder daarop bakte. Uiteindelijk kocht hij een huis in Garderen. Terwijl Van Beinum bijkwam en ontspanning vond met zijn gezin op de Veluwe, bleek in het privé-leven toch niet alles rimpelloos te verlopen. Het gedrag van zijn oudste zoon Eduard, in de familie “Eet” genoemd, baarde hem en Sepha veel zorgen. Tijdens Eets vierde levensjaar openbaarde zich bij hem een vorm van autisme, wat veel aandacht van het gezin, maar vooral van Sepha vergde. Nadat met veel pijn en gewetenswroeging besloten was om Eet niet langer thuis op te voeden, bezocht ze hem vanaf 1940 wekelijks in Jonkerbosch te Nijmegen en later, in 1942, in Neerbosch en Druten, waar ze hem ook vioolles gaf.

Dan volgen al ras de oorlogsjaren, die ook voor Van Beinum moeilijk waren. Marius Flothuis hierover: “Hoewel hij geenszins met de ideeën en methoden van de Duitse machthebbers sympathiseerde staat wel vast dat hij concerten heeft gedirigeerd die geheel onder Duitse supervisie stonden. Van Beinum heeft in de oorlog gekozen voor doorwerken om, met zo min mogelijk concessies aan de vijand, het Amsterdams muziekleven te blijven dienen. Van Beinum kon na uitspraak van de Ereraad voor de kunst na 1 juli 1945 zijn dirigentschap weer uitoefenen. Als eerste dirigent van het Concertgebouworkest zag hij zich voor de gigantische taak geplaatst om het door de oorlog en naoorlogse omstandigheden gehavende orkest weer zijn oude glans te geven.” Tot aan zijn dood ontwikkelde Van Beinums dirigentschap zich in crescendo. Dat dit ten koste ging van zijn privé-leven in het Gelderse, ligt voor de hand. Het is ook de tijd waarvan iedere muziekliefhebber Van Beinum kent – als een dirigent van internationale allure: hij was naast zijn dirigentschap aan het Concertgebouworkest van 1949-1952 eerste dirigent van het London Philharmonic Orchestra voor vijf maanden per jaar. Ook het Concertgebouworkest zelf kreeg met Van Beinum veel uitnodigingen uit het buitenland om op te treden. Zo ging het orkest in 1952 acht weken op tournee door de Verenigde Staten. Tijdens deze reis ontving Van Beinum een eredoctoraat van de Rutgers University New Brunswick, New Jersey. Intussen had een platenmaatschappij contacten gelegd om opnamen met het orkest onder Van Beinum te maken. Tegelijkertijd was hij een veelgevraagd gastdirigent in Italië, Brazilië, Argentinië, de Verenigde Staten en Canada. Bovendien was hij van 1956 tot 1959 verbonden aan het Los Angeles Orchestra. Hij werd onderscheiden met de gouden eremedaille van de Internationale Gustav Mahler Gesellschaft en werd benoemd tot Groot-officier in de Huisorde van Oranje. De Universiteit van Amsterdam en de Rutgers University New Brunswick, New Jersey, verleende hem eredoctoraten.

Helaas kampte Van Beinum al sinds 1950 met een hartkwaal die hem in 1958 ernstig parten speelde. Daardoor heeft hij het lopende seizoen in Los Angeles niet kunnen afmaken. Zijn ziekte zou hem nog veel ongelukkiger gemaakt hebben, wanneer hij de doktersadviezen zomaar opgevolgd zou hebben. Integendeel, ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum in 1956 had hij alle orkestleden en overige medewerkers met hun partners uitgenodigd op een copieus diner in een traditionele Gelderse herberg: de Gouden Karper te Hummelo. Een ingelijste oorkonde met handtekeningen getuigt daarvan nog tot op de dag van vandaag.

Op de been gehouden door medicijnen, kon hij in Amsterdam blijven dirigeren. Op maandag 13 april 1959, tijdens een repetitie met het Concertgebouworkest, na de laatste maten van het langzame deel met de veelbesproken hobosolo uit de Eerste Symfonie van Brahms te hebben gedirigeerd, overleed Eduard van Beinum. Het was het deel waarvan hij ooit tegen de hoboïst gezegd zou hebben: “Als u de volgende keer weer zo speelt, dan blijf ik erin ...”. Hij stierf, kenmerkend voor heel zijn persoonlijkheid, in het harnas.

Eduard van Beinum ligt begraven in zijn geliefde Garderen. Zijn herinnering wordt levend gehouden door de Eduard van Beinumstichting.

Literatuur

  • B. van Beinum, Eduard van Beinum. Over zijn leven en werk, Bussum 2000
  • K.Ph. Bernet Kempers en M. Flothuis (red.), Eduard van Beinum, Haarlem z.j. [1959]
  • H.C.M. van Dijk, Jan van Gilse. Strijder en idealist. Een bijdrage tot de kennis van de Nederlandse muziekgeschiedenis in de periode 1900-1944, z.p. 1988
  • M.H. Flothuis, ‘Beinum, Eduard Alexander, dirigent’, in: Biografisch Woordenboek van Nederland, deel 2, Den Haag 1985, 22-24
  • H. Lenferink, Gelders Orkest 1889-1989, Zutphen 1989
  • L. Metz, Over dirigeren, dirigenten en orkesten, Lochem 1956, 1968
  • P. Micheels, Muziek in de schaduw van het Derde Rijk. De Nederlandse symfonie-orkesten 1933-1945, Zutphen 1993
  • W. Paap, Eduard van Beinum vijfentwintig jaar dirigent van het Concertgebouworkest, Baarn 1956
  • W. Paap, ‘In memoriam Eduard van Beinum’, in: Mens en Melodie 14 (1959), 129-132
  • H.J. van Royen e.a. (red.), Historie en kroniek van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest 1888-1988, Zutphen 1989, 2 delen
  • L. Samama, Zeventig jaar Nederlandse muziek 1915-1985. Voorspel tot een nieuwe dag, Amsterdam 1986
  • W.B.F. Schaper, In het eerste gelid. Twaalf vooraangaande Nederlanders, Meppel z.j. [1953], 7-21
  • G. Werker, ‘De levensloop van Eduard van Beinum’ in: Mens en Melodie 14 (1959), 135-138
J.A. Kiliaan
Uit: Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 4, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Redactie: dr. J.A.E. Kuys (eindredactie), drs. C.A.M. Gietman, drs. R.M. Kemperink, E. Pelzers en dr. P.W. van Wissing. Verloren Hilversum, 2004, pagina's 24-27.