Hendrik Hoogers
1747-1814, Kunstenaar, Zakenman en Politicus
Hendrik Hoogers werd gedoopt op 26 maart 1747 in Nijmegen. Hij was het derde van zeven kinderen en de oudste zoon van de leerlooier en leerhandelaar Wilhelmus Carel (20 april 1704 - 14 mei 1754) en diens vrouw Jacoba Clemens (†14 april 1793). Jacoba zou na de dood van haar eerste man nog twee maal huwen. Op 13 oktober 1772 trouwde Hendrik in Amsterdam met Hermijna Tack (25 juni 1746 - 9 januari 1779). Het echtpaar kreeg vier kinderen. Hij hertrouwde in Wageningen op 18 maart 1781 met Cornelia van Ommeren (12 maart 1761 - 11 januari 1839). Uit dit tweede huwelijk werden drie kinderen geboren, allen zoons. Hendrik Hoogers overleed te Nijmegen op 24 oktober 1814.
http://www.historici.nl/media/bwg/images/5/-018.jpg
Hendrik Hoogers, portret uit 1792 door J.B. Scheffer (uit: G. Lemmens,

De vader van Hendrik Hoogers dreef met succes een leerlooierij en een handel in lederwaren in zijn woning aan de Grote Markt in Nijmegen. Hij kwam tot aanzien toen hij in 1748 door prins Willem IV benoemd werd tot lid van het College van Gemeenslieden. Hendrik was de oudste zoon van het echtpaar Hoogers en voorbestemd het leerlooiersbedrijf en de winkel over te nemen. Vader overleed toen Hendrik zeven jaar was. Moeder hertrouwde twee jaar later met een bakker uit Tiel, die zijn nering opgaf om in Nijmegen leer te looien. Ook hij overleed voortijdig, maar in 1759 trouwde Jacoba Clemens opnieuw, nu met Jan Broesterhuysen (1715-1789), eigenaar van een looimolen op de stadswal. Deze stiefvader van Hendrik was van grote betekenis voor de ontwikkeling van het bedrijf en zijn latere opvolger.

Over de opleiding die Hendrik Hoogers volgde is niets met zekerheid te zeggen. Het ligt voor de hand dat hij op de Latijnse School heeft gezeten, dat paste bij de opvoeding in zijn milieu. Van Broesterhuysen leerde Hendrik het leerlooiersvak. Maar ook ondervond de jongeling steun van zijn stiefvader bij de ontwikkeling van zijn liefhebberij: tekenen en schilderen. Broesterhuysen had in zijn jeugd leren graveren bij de bekende edelsmid Willem Roukens (1662-1736) en had zich daarnaast bekwaamd in tekenen en boetseren. Hij heeft zijn pupil ervan kunnen overtuigen dat van een kunstenaarsbestaan niet te leven viel en dat het bedrijf dus op de eerste plaats kwam. Zo ontwikkelde de jonge Hendrik zich tot leerlooier met een kunstzinnig hobby.

Tot 1789, het jaar waarin Jan Broesterhuysen overleed, is Hendrik in de luwte van het leerlooiersbedrijf actief geweest. Zijn stiefvader deed de zaken en gaf zijn stiefzoon de ruimte zich in de kunst te bekwamen. Een echte kunstzinnige opleiding heeft Hoogers niet genoten, hij was autodidact. Wel is hij zijn leven lang omgegaan met kunstenaars als de beide broeders Van Eijnden, Roeland (1747-1819), tekenaar en kunsthistoricus, en Jacobus (1733-1824), tekenleraar, en met de portret- en genreschilder Johan Bernard Scheffer (1765-1809). Van hen heeft hij veel opgestoken.

Het vroege werk van Hoogers als kunstenaar tot circa 1771 heeft het karakter van zoeken en leren. Uit deze periode is weinig werk overgeleverd. Vanaf 1771 nam zijn productie toe. Hij maakte vooral tekeningen, maar ook aquarellen en olieverfschilderijen. Geleidelijk aan ontwikkelde hij een techniek die uitstak boven de vaardigheden van de gemiddelde autodidact. Hij wilde in zijn oeuvre de beschouwer een beeld geven van wat hij zelf waarnam. Het aantrekkelijke van zijn topografische tekeningen is dat hij daarin vaak groepjes mensen uitbeeldde, bijvoorbeeld spelende kinderen, werkende boeren, kreupele marskramers, die de afbeelding verlevendigen. Zijn werk was echter te rationeel, helder van atmosfeer en kleur, en miste zware accenten, waardoor de generatie na hem, de romantici, weinig belangstelling voor zijn kunst toonde. In de jaren ’60 van de 19de eeuw werd Hoogers herontdekt.

In Amsterdam, waar de aankomend leerlooier en hobbykunstenaar regelmatig voor zaken verbleef, ontmoette hij zijn eerste vrouw, Hermijna Tack. Zij huwden in 1772 in de Nieuwe Kerk en het jonge paar trok in bij de ouders te Nijmegen. Na de geboorte van zijn eerste zoon kocht Hendrik een huis aan de Korenmarkt, waar hij de rest van zijn leven zou wonen. Hier in de eigen woning vonden regelmatig bijeenkomsten plaats met kunstenaars en wetenschappers uit Nijmegen. Tot de vaste gasten behoorden eerder genoemde gebroeders Van Eijnden en J.B. Scheffer, maar ook de dichter en musicus Lambertus Stoppendaal (17461815), stiefvader Broesterhuysen en de etser Louis Bernard Coclers (1741-1817). In 1779 overleed Hermijna. Twee jaar later hertrouwde Hoogers met Cornelia van Ommeren uit Wageningen.

De dood van Jan Broesterhuysen in 1789 betekende dat de hobbykunstenaar minder tijd kreeg om te tekenen en te schilderen. Hij moest zich vanaf dat moment actief gaan bemoeien met de bedrijfsvoering in de leerlooierij en in de leerhandel. De zaken liepen voorspoedig en Hoogers breidde zijn bedrijf uit. In 1790 kocht hij van zijn moeder een leerlooierij in de Bottelstraat. Toen drie jaar later Jacoba Clemens overleed, erfde hij de looimolen die van Broesterhuysen was geweest.

Hendrik Hoogers kwam uit een Oranjegezinde familie. Heel Nijmegen gold trouwens als een bolwerk van de Oranjes. Toch ontwikkelde hij zich tot een politiek gematigd maar desondanks vurig aanhanger van het patriottisme. De misstanden die voortvloeiden uit het heersende, autocratische, politieke bestel moeten hem van Oranje hebben vervreemd. Als patriot heeft hij met lede ogen aangezien hoe de koning van Pruisen in 1787 het gezag van zijn zwager Willem V herstelde ten koste van de vernieuwingsbeweging, waartoe Hendrik behoorde. Door zijn keuze voor de patriotten en dus tegen de orangisten, gelukte het Hoogers vooralsnog niet door te dringen tot de hoogste instellingen in Nijmegen: de Kerkenraad, het College van Gemeenslieden en de Raad.

Dat veranderde toen in het najaar van 1794 de Franse troepen Nijmegen veroverden. Het gemeentebestuur werd aan de kant geschoven en er kwam een nieuwe Raad, waarvan Hendrik Hoogers deel uitmaakte. Voor het eerst zaten er in de Raad katholieken, waar de antipapist Hoogers niet blij mee geweest moet zijn. Hij was een gelovig protestant en in conflicten met katholieken bleek hij nimmer tot concessies bereid.

Hendrik toonde zich een sterk onderhandelaar en een bekwaam bestuurder. Hij bemoeide zich vooral met aangelegenheden betreffende onderwijs en financiën. Daarnaast zette hij zich in voor het behoud van de laatste bouwwerken op het Valkhof, dat door de provincie gesloopt was.

In december 1795 werd Hoogers niet herkozen in de Raad. Zijn onverzoenlijkheid tegenover de katholieken, die toen een meerderheid in dit college vormden, zal daarbij ongetwijfeld een rol hebben gespeeld. De politiek onervaren katholieken slaagden er echter niet in orde op zaken te stellen in het stadsbestuur, waardoor in 1797 een nieuwe Raad moest worden gekozen. Hendrik keerde terug in dit college en werd schepen en daarna zelfs president-burgemeester.

Tussen 1798 en 1802 maakte Hendrik geen deel uit van het gemeentebestuur. De leerlooier Hoogers moest alle zeilen bijzetten om zijn bedrijf draaiende te houden. De Franse bezetting en het slecht functionerende Bataafse bestuur in die jaren hadden de economie in het slop gebracht. Maar Hoogers wist met medewerking van zijn compagnon het hoofd boven water te houden. In deze ambteloze periode kreeg hij wat meer tijd voor zijn kunsthobby. Hij schilderde Italianiserende landschappen, en maakte tekeningen en schetsen die als basis dienden voor later werk. In 1801 behaalde hij de zilveren erepenning van de Maatschappij Felix Meritis met een ingezonden tekening voor een prijsvraag. Zo kreeg Hendrik Hoogers als kunstenaar ook buiten Nijmegen bekendheid.

In het najaar van 1802 keerde hij terug in de gemeenteraad als lid en als schepen. Er volgde een periode waarin Hoogers zeer veel bestuurlijke activiteit aan de dag legde. Zo hield hij zich bezig met brandpreventie, stadsfinanciën, toezicht op de wapenrusting van de burgermachten, wezenzorg en het openbaar groen. Op 2 januari 1805 werd hij opnieuw tot president-burgemeester benoemd. Deze benoeming bracht hem naar de top van zijn politieke roem, waarbij hij tot de belangrijkste burgers van Nijmegen ging behoren. Anderhalf jaar later werd hij benoemd tot schoolopzichter in het Rijk van Nijmegen, een taak die hij zeer serieus opvatte. Dit betekende dat hij in dit hele rayon scholen moest bezoeken en rapport van zijn bevindingen moest uitbrengen.

Vanaf 1807 begon Hoogers met zijn gezondheid te tobben. Hij trad terug als burgemeester, maar bleef actief als schepen. Zijn carrière ging bergafwaarts, een proces dat nog versterkt werd door een aan lager wal geraakte zoon die door zijn wangedrag het aanzien van de familie veel schade berokkende. Ook zakelijk kreeg Hoogers tegenwind. De handel leed onder het continentale stelsel en positieve bedrijfsresultaten bleven uit.

Een jaar later bedankte Hendrik voor de benoeming als plaatsvervangend wethouder en lid van de vroedschap, omdat hij die posities onder zijn niveau achtte. Hij trok zich terug uit de politiek en wijdde zich verder aan zijn hobby. In 1809 en 1810 tekende hij een tiental fraaie stadsgezichten van Nijmegen, onder andere van de kapellen op het Valkhof, De Belvédère en nabij gelegen straatjes. Dit was de laatste grote serie tekeningen die Hoogers maakte.

In 1810 keerde Hoogers terug in de raad, waarvan hij tot zijn dood zou deel uitmaken. De stad verkeerde intussen in een economische crisis. Ook met Hoogers ging het financieel slecht. Bezittingen die zijn vrouw Cornelia in Wageningen had, moesten worden verkocht. Maar de opbrengst bleek niet genoeg om alle financiële stroppen het hoofd te bieden. Hoogers moest een lening sluiten waarbij zijn looimolen als onderpand diende.

De val van Napoleon maakte hij nog mee, evenals het bezoek dat de soeverein Willem I op 4 oktober 1814 aan de stad Nijmegen bracht. Ondanks een zekere restauratie van het ancien régime waren zijn patriotse idealen niet helemaal in rook opgegaan, immers de nieuwe regering had iets van democratie in zich. Daarnaast werd de bevoorrechte positie van de regentenstand enigszins teruggedrongen. Twintig dagen na het bezoek van de vorst overleed Hendrik Hoogers in zijn woning aan de Korenmarkt. Hij werd begraven in het familiegraf in de Sint-Stevenskerk.

Literatuur

  • J.C. Bierens de Haan en R. Ekkart (red.), Gelderse Gezichten, drie eeuwen portretkunst in Gelderland, Zwolle 2002, 148-158
  • R. van Eijnden en A. van der Willigen, Geschiedenis der Vaderlandsche Schilderkunst, sedert de helft der XVIII eeuw, deel 2, Haarlem 1817, 346-351
  • J.A.B.M. de Jong, Hendrik Hoogers, 1714-1814, catalogus van de tentoonstelling van het volledige oeuvre van Hendrik Hoogers gehouden in het Gemeentemuseum Mariënburg te Nijmegen van 15 juli tot en met 10 september 1967, Nijmegen 1967
  • J.A.B.M. de Jong, Hendrik Hoogers, patriot en kunstenaar 1714-1814, Zaltbommel 1969
  • J.A.B.M. de Jong, ‘Een nog onbekend “Gezicht op Arnhem” van Hendrik Hoogers’, in: BM Gelre 66 (1972), 175-189
  • G.Th.M. Lemmens en D.A. van Dorp, ‘“Drie conversatiestukken” met het gezin van de Nijmeegse kunstenaar Hendrik Hoogers (1747-1814)’, in: Antiek, tijdschrift voor liefhebbers en kenners van oude kunst en kunstnijverheid 24 (1989/90), 335-346
  • G.Th.M. Lemmens, Hendrik Hoogers, koopman, kunstenaar en politicus, catalogus van de tentoonstelling Hendrik Hoogers gehouden in het Stadtmuseum Bocholt van 22 november 1992 tot 4 januari 1993, Bocholt, Arnhem 1992
  • M. Vollebregt, ‘Hendrik Hoogers (1747-1814) politicus, zakenman en kunstenaar op de bres voor de Valkhofburcht’, in: Valkhofnieuws 22, nr 1, themanummer (waarin opgenomen jaargang 21, nr 4), Nijmegen 1998/2000
J.W.Tetterode Ravestein
Uit: Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 5, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Redactie: dr. J.A.E. Kuys (eindredactie), drs. C.A.M. Gietman, drs. R.M. Kemperink, E. Pelzers en dr. P.W. van Wissing. Verloren Hilversum, 2006, pagina's 57-60.