Willem Anne van Spaen
1750-1817, Adellijk genealoog, Geschiedvorser en Eerste president van de Hoge Raad van Adel
Willem Anne baron van Spaen, zoon en enig kind van Alexander Zweder van Spaen (17031768), heer van Hardenstein, en van diens tweede vrouw Elisabeth Agnes Charlotte Jacoba gravin van Nassau la Lecq (1724-1798), werd geboren op 26 december 1750 in Den Haag, waar hij op 29 april 1817 ook zou komen te overlijden. In 1773 huwde hij Anna Bentinck tot Buckhorst (1757-1818), vrouwe van Buckhorst, Zalk en Veecaten. Uit dit huwelijk werden twaalf kinderen (vijf zonen en zeven dochters) geboren, maar slechts drie dochters, van wie er overigens twee ongehuwd zouden blijven, overleefden hun ouders.
http://www.historici.nl/media/bwg/images/5/-040.jpg
Portret van W.A. van Spaen met zijn handtekening (uit:

Naar aanleiding van het overlijden van zijn laatst levende zoon, Alexander Willem Jacobus van Spaen (1775-1811), noteerde W.A. van Spaen bedroefd: “...Il me reste bien que des enfans chéris [namelijk zijn toen nog levende dochters], mais mon nom est fini avec moi”. Met zijn dood in 1817 was, althans in de mannelijke lijn, de jongere linie van het Gelderse geslacht Van Spaen uitgestorven. Willem Anne van Spaen diende zich, naar de omstandigheden van het moment, onder verschillende naam en titulatuur aan: tot 1811 als G(uillaume) A. baron van Spaen, heer van Hardenstein, maar zijn naam staat op het titelblad van zijn toen inmiddels verschenen boeken telkens sober als W.A. van Spaen opgevoerd; vele jaren werd hij ook als Willem Anne van Spaen van Hardenstein aangeduid; vooral in de jaren 1807-1814 noemde hij zich W.A. rijksvrijheer van Spaen. Bij Soeverein Besluit van 28 augustus 1814 werd zijn naam gewijzigd in Van Spaen la Lecq, naar de familie van zijn moeder, terwijl op verzoek van zijn neef J.F.W. van Spaen van Biljoen bij Soeverein Besluit van 5 september 1814 alle leden van het geslacht Van Spaen homologatie kregen van de titel van baron.

Na studie en promotie in de rechtsgeleerdheid te Utrecht werd hij al in 1769 burgemeester van Elburg. Andere ambten en functies volgden spoedig: ambtsjonker van Nijkerk (1771), lid van de Veluwse ridderschap (6 mei 1773), enkele malen Gelders afgevaardigde ter Staten-Generaal (tussen 1774 en 1792).

In 1786 noopte de patriottenbeweging Willem Anne van Spaen zich terug te trekken op zijn buitenplaats Bellevue, een schitterend gelegen huis (net buiten de stad Kleef ) dat zijn familie sinds 1752 bewoonde. Als gevolg van de restauratie van het stadhouderlijk bewind (1787) kon hij echter in Gelderland terugkeren en zijn voormalige functies weer gaan uitoefenen. Tal van nieuwe ambten wachtten hem: schout (1789) en dijkgraaf (1791) van Hattem, raad extra-ordinaris aan het Hof van Gelderland (1792), hoogschout van Maastricht en Vroenhoven (1793-1794) en lid van de admiraliteit van Amsterdam (1792-1795).

Maar de Bataafse omwenteling in 1795 betekende het einde van deze tweede ambtelijke loopbaan. Baron van Spaen zag zich genoopt al zijn bedieningen neer te leggen. Hij vestigde zich opnieuw in zijn buitenhuis Bellevue. Hier legde hij zich toe op studie, archiefonderzoek en het schrijven van geschiedkundig werk. Daarbij kon hij als vanzelf aansluiten bij de resultaten van vele genealogische onderzoekingen in de vorm van talrijke geschiedkundige aantekeningen die zijn grootvader Alexander Bernhard van Spaen (16691745) sinds 1705 tot aan zijn dood even naarstig als nauwgezet had vervaardigd. Vooral in het belang van deze historisch-genealogische onderzoekingen onderhield W.A. van Spaen een uitvoerige correspondentie met tal van geleerden in binnen- en buitenland, zoals met de Utrechtse griffier en archiefbeheerder Petrus van Musschenbroek (1764-1823), de archivaris Hendrik van Wijn (1740-1831), de Gelderse geschiedvorser Gerard van Hasselt (1751-1825), de Leidse hoogleraar Adriaan Kluit (1735-1807), pastoor Simon Pieter Ernst (1744-1817) uit Afden bij Aken, Albert Carel baron Snouckaert van Schauburg (1763-1841) en R.J. baron van der Capellen, heer van de Marsch (1743-1814). Gelijktijdig ondernam hij vanuit Kleef allerlei archiefreizen in het gebied van de Nederrijn. Ook betrad hij enkele malen met alleen maar studieuze motieven het territorium van de Bataafse Republiek.

Tijdens deze Kleefse jaren werd hij een kenner en beschermer van archieven. Op grond van het gewonnen vertrouwen boden bevriende relaties en standgenoten hem de gelegenheid allerlei archivalia van kerkelijke en wereldlijke instellingen te raadplegen, zoals het archief van het convent van Bedburg (bij Kleef), de vorstelijke rijksabdij van Elten, het kapittel van Zyfflich/Kranenburg, de abdij van Paderborn. Van sommige door Frans revolutiegeweld bedreigde instellingen, zoals Neukloster (’s-Gravendaal), het convent van Bedburg en het kapittel van Xanten, ontving hij de archieven, “om te bewaren, indien zij hersteld wierden, of anders als eigendom”. In 1799 verbleef hij enkele maanden in Keulen om allerlei aldaar bewaarde charters te raadplegen. Ook wist hij heel wat oude handschriften te traceren en in veiligheid te brengen. Tijdens al die onderzoekingen verzamelde W.A. van Spaen een indrukwekkende hoeveelheid gegevens uit veelsoortig bronnenmateriaal; uit leenregisters, resoluties, oude bescheiden (ondermeer ‘opzweringsboeken’) van de ridderschap, kronieken, oorkonden, ordonnantiën, leen- en stadsrechten, handschriften en wapenboeken, maakte hij nauwgezet aantekeningen, in de vorm van extracten en afschriften. Deze aantekeningen voegde hij vervolgens met gebruikmaking van elders verkregen gegevens samen tot reeksen genealogieën en kwartierstaten van vorsten en talrijke leden van Zuid- en Noord-Nederlandse adellijke geslachten.

Voor W.A. van Spaen behoorde de adel (‘de edele geslachten’) ontegenzeggelijk tot ‘de byzondere Historie van een land’ (in: De historie der Heeren van Amstel, 167). Van huis uit was hij gewend vertrouwelijk om te gaan met (hoog)adellijke geslachten van zijn tijd. Zo was stadhouder Maurits van Nassau (1567-1625), sinds 1618 rechtmatig prins van Oranje, via zijn bastaardzoon Lodewijk van Beverweerd (1602-1665), een betovergrootvader van Elisabeth gravin van Nassau la Lecq, moeder van Willem Anne van Spaen. Mede op grond van deze afstamming stonden stadhouder Willem IV en zijn gemalin Anna van Hannover als peetouders bij de doop van Willem Anne in 1750. Tot aan het einde van zijn welbesteed leven zou Van Spaen vriendschappelijke contacten met de Oranje-familie onderhouden. Zijn vader Alexander Zweder van Spaen was als jong officier in de Pruisische garde goed bevriend geraakt met de toenmalige kroonprins Frederik in Potsdam (de latere Frederik de Grote) en hij had hem in 1730 geholpen bij het opzetten van een (ontijdig ontdekt) vluchtplan om zich aan de al te strenge opvoeding aan het Pruisische Hof te kunnen onttrekken. Na ontdekking van dit vluchtplan was Alexander Zweder van Spaen in Potsdam gevangen gezet, totdat hij in 1731 in ‘Hollandse’ dienst was moeten treden. Later, in 1763, tijdens een bezoek aan het hertogdom Kleef kwam Frederik de Grote deze trouwe jeugdvriend in Bellevue met een persoonlijk bezoek vereren. In 1788 overnachtte zijn opvolger koning Frederik Willem van Pruisen in datzelfde Bellevue. Daar kwamen ook diens zuster prinses Wilhelmina van Pruisen en haar echtgenoot stadhouder Willem V de familie Van Spaen bezoeken. De latere Pruisische koningin, prinses Louise van Mecklenburg-Strelitz, logeerde in 1791 eveneens in Bellevue.

Aangezien zijn familie in de hertogdommen Kleef en Gelre zich voorheen met de adel had vermaagschapt en er door huwelijk en aankoop vele belangen en bezittingen had verworven, ging de geschiedkundige belangstelling van W.A. van Spaen in eerste instantie uit naar de geschiedenis van talrijke adellijke geslachten van Gelders-Kleefse komaf. Nog in 1801 bekende hij dat zijn “grootste kundigheid” bestond “in een beredeneerd twijfelen”; hij wenste bij voorkeur authentiek bronnenmateriaal bij al zijn onderzoek te betrekken en “niets voor waarheid aan te nemen, hetgeen latere Schrijvers alleen uit overleveringen ontleend hebben, dat door bondige bewijzen kan tegengesproken worden” (in: Oordeelkundige Inleiding, I, 1801, ‘Voorrede’, VIII). Adriaan Kluit stelde in 1802 in een particuliere brief aan Van Spaen vast dat deze “al te twijfelachtig” scheen te zijn “over vele onzer Hollandsche geschiedschrijvers van later eeuw”, maar hij moest zich gewonnen geven voor de ‘grondregel’ van Van Spaen: “dat de echte stukken voor alles gaan”. Zelf besefte Van Spaen dat “zig bezig te houden met het naspeuren van Vaderlandsche Oudheden en het opmaken van Geslachtsregisters” menigeen in die bewogen jaren als ‘ongerijmd’ moest voorkomen en dat hij met die onderzoekingen tegen de verlichte tijdgeest inging, omdat de “algemeene smaak helt naar Metaphysische spitsvindigheden, naar Philosophische Leerstellingen, om door nieuwe denkbeelden het mensdom te verlichten en rijp te maken voor een staat van zaaken onze Voorouderen onbekend” (in: Oordeelkundige Inleiding, I, 1801, ‘Inleiding’ en I-IX). Het geschiedkundig oogmerk was en bleef dan ook even bescheiden als eerlijk: “alleen de duistere en twijfelachtige zaken” in de geschiedenis op te helderen, “de verdichte verhalen te wederleggen, den ouden staat en de verdeeling van het land vast te stellen”; een en ander dan om “alles door onwraakbare bewijzen op zoodanige gronden te vestigen, dat een volgend geschiedschrijver gerust daarop zoude kunnen bouwen” (in: ‘Voorrede’ van zijn Historie van Gelderland, I, 1814, IX). Al had hij dan bij de Bataafse Omwenteling zijn ‘dierbaar vaderland’ vaarwel moeten zeggen en al waren hem door de gevolgen van deze omwenteling zijn “aangebore Rechten en [...] Bedieningen” ontnomen, zijn liefde voor het vaderland, dat hij nog in 1805 als ‘Nederland’ aanduidt, bleef onveranderd (in: Proeven van Historie en Oudheidkunde, V).

Natuurlijk kunnen alle resultaten van deze geschiedkundige toewijding thans niet meer onverkort valabel heten. Maar op grond van nauwgezet onderzoek was W.A. van Spaen bevoegd zich af te zetten tegen “droomerijen en leugens van [...] Geschiedschrijvers en Genealogisten” en kon hij zodoende heel wat vooringenomenheden blootleggen. Aan ‘Etymologien’ of ‘naams-afleidingen’ kende hij weinig gewicht toe. Ten aanzien van de nog altijd niet met overtuigende zekerheid vastgestelde afkomst van de eerste graven van Gelre (en Zutphen) toonde hij al in 1802 aan dat deze graven in elk geval niet afstamden van het Huis Nassau. ‘Fabelen en gewrogten der inbeelding’ moesten worden bestreden; het ‘Cleefsche sprookje’ rond de ‘Roman van den Zwanenridder’ achtte hij ‘uit Fransche Dichters gehaald’; ook bij de herkomst en status van het ‘graafschap’ Teisterbant, waarbinnen Willem Bilderdijk al op jeugdige leeftijd met dichterlijke bravoure de eigen afkomst had gefabuleerd, plaatste hij fundamentele historische kritiek. De gekrenkte Bilderdijk, toch al allergisch voor Geldersen die erop uit waren “over het altijd benijde en altijd geplukte Holland de zege te blazen”, zou W.A. van Spaen, met diens “ondraaglijken haat tegen het huis van Teisterbant” en tegen Holland, rekenen tot de ‘oordeellooze ingebeelde koppen’ en hem als notoire tegenvoeter zoveel mogelijk dwarsbomen op de weg naar wetenschappelijke erkenning.

Na verschijning van de vierdelige Oordeelkundige Inleiding tot de Historie van Gelderland (Utrecht 1801-1805) zag W.A. van Spaen nog kans het eerste deel van een Historie van Gelderland (1814) in het licht te geven. Hij hoopte toen nog – overigens tevergeefs – deze Historie die in temporeel opzicht slechts reikt tot 1343 (het sterfjaar van Reinald II, die in 1338 hertog van Gelre was geworden), nog in twee of drie andere delen te kunnen vervolgen tot en met het optreden van de roemruchte hertog Karel van Egmond (†1538); want in zijn optiek eindigde ‘de eigenlijke Historie van ons Vaderland’, in casu: Gelre, namelijk op het moment dat het hertogdom in 1543 als gewest door ingrijpen van keizer Karel V binnen de ‘overige Nederlanden’ werd geïncorporeerd. Vanaf 1830 zou de provinciale archivaris Isaac Anne Nijhoff (1795-1863) het werk van de Gelderse geschiedvorsers Pieter Bondam (1727-1800) en Willem Anne van Spaen gaan voorzetten met de zesdelige Gedenkwaardigheden uit de Geschiedenis van Gelderland (1830-1862/75) die inderdaad reiken tot 1543.

Ondanks en dankzij al die geschiedkundige arbeid bleef Van Spaen onverminderd ijveren voor het voortbestaan van de oude adel. In zijn perceptie was de adel in 1795 weliswaar onder de druk der omstandigheden afgedankt, maar dezelfde adel had sindsdien nooit van zijn oude rechten afstand gedaan. In 1807, tijdens het bewind van koning Lodewijk Napoleon, toen binnen het pas ingestelde Koninkrijk Holland het monarchale element ook door een nieuw te creëren adeldom moest worden geschraagd, stelde Van Spaen een beknopt exposé (‘Exposé succint sur la noblesse’) op waarin hij aantoonde dat er ten tijde van de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën wel degelijk een echte adel had bestaan, onder meer de geslachten zoals die in verschillende gewesten tot de ridderschappen waren toegelaten. Dit exposé werd beleefd onder de aandacht van koning Lodewijk Napoleon gebracht, die met de strekking ervan kon instemmen, al moest hij ook in dit opzicht behoedzaam ten opzichte van zijn grote broer, keizer Napoleon, manoeuvreren. In juli 1808 stelde de koning een speciale commissie van vijf personen (onder wie W.A. van Spaen) in, die tot taak kreeg met inachtneming van het verleden en met oog voor kwesties als erfelijkheid, welstand en vermogen advies uit te brengen inzake (erfelijke) titels, onderscheidingen en orden in het Koninkrijk Holland. Tijdens persoonlijke gesprekken in paleis het Loo wist Van Spaen de koning van zijn zienswijzen grotendeels te overtuigen. Ook binnen de commissie wist hij enkele persoonlijke inzichten geaccepteerd te krijgen: éérst zou de oude adel (van vóór 1795) de facto moeten worden erkend, alvorens deze met nieuw te creëren adel (onder meer uit patricische families) zou kunnen worden samengesmolten tot een erfelijke adel, die als zodanig ‘constitutioneel’ zou zijn (deel zou hebben aan het landsbestuur) en die dan ook weer bepaalde voorrechten zou moeten genieten. Ook zou er een afzonderlijk college moeten worden opgericht dat diende voor invoering en instandhouding van de adel. Een en ander betekende dat de oude adel niet werd ontbonden en in 1809 mondde al het overleg uit in een wet waarbij was voorzien dat de samengesmolten (oude en nieuw te creëren) adel een constitutionele taak zou worden toegekend. Nog in hetzelfde jaar volgde de ondertekening door Lodewijk Napoleon van de statuten voor de constitutionele adel van het Koninkrijk Holland.

Maar al in het voorjaar van 1810 werden wet en statuten op last van keizer Napoleon ingetrokken en buiten werking gesteld. Als gevolg van de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk (juli 1810) mochten ook inzake adeldom alleen nog maar Franse wetten en besluiten gelden.

Als soeverein vorst en vervolgens als koning ging Willem I na november 1813 voort op de door Lodewijk Napoleon ingeslagen weg. Een erfelijke en constitutionele adel in de vorm van provinciale ridderschappen (in Gelderland, Holland, Utrecht, Overijssel, Groningen, Brabant en Drenthe) en van edelen (in Zeeland en Friesland) werd een bestuurlijke component binnen het koninkrijk, maar er vond géén restauratie van de voormalige riddermatige adel plaats. Om vanwege politieke redenen een vernieuwing, uitbreiding en verjonging van de Nederlandse adel te bevorderen, richtte de soevereine vorst al in juni 1814 de Hoge Raad van Adel op, die zou zetelen te ’s-Gravenhage. Op 24 juni van dat jaar werd W.A. van Spaen la Lecq tot president benoemd en precies een maand later als zodanig beëdigd. In de beginjaren van deze Hoge Raad van Adel heeft hij heel veel werk verzet, als gevolg waarvan zijn geschiedkundige werkzaamheid wel op de achtergrond moest geraken. Zijn studie en toewijding voor de instandhouding van een constitutioneel adeldom doen hem kennen als een boeiend, stijl- en karaktervol man, een voorbeeldig representant van een stand die mede door zijn toedoen binnen het 19de-eeuwse staatsbestel, zij het in bijtijds aangepaste vorm, na het verloren gegane ancien régime het dictaat van het maatschappelijk gelijkheidsbeginsel wist te overleven, om als stand althans voorlopig binnen een geleidelijk veranderende samenleving te kunnen functioneren. W.A. van Spaen billijkte al vóór 1813 een gematigde uitbreiding van de adel met nieuwkomers en werkte vanaf 1814 loyaal aan een constellatie, waarbij de ‘oude’ riddermatigen bij de vorming van nieuwe provinciale ridderschappen in de gelegenheid werden gesteld aan te tonen dat zij onder vigeur van andere staatkundige beginselen nog altijd over achtenswaardige, zelfs valabele papieren beschikten.

Werken

  • [anoniem] Verhandeling over ’t recht van de jagt op Veluwen, z.p. 1784
  • Verhandeling over de crimineele ordonnantie van koning Philips in Gelderland. Met bijlagen van onuitgegeven stukken, Arnhem 1794
  • Oordeelkundige Inleiding tot de Historie van Gelderland (met codex diplomaticus achter deel 2 en 4), 4 delen, Utrecht 1801-1805
  • Proeven van Historie en Oudheidkunde, eerste stuk, Cleve 1805, 1808; verder niet verschenen.
  • Historie der Heeren van Amstel, van Ysselstein en van Mynden, ter opheldering van Wagenaar, Den Haag 1807
  • Historie van Gelderland (tot 1343), deel 1, Utrecht 1814; verder niet verschenen.

Literatuur

  • J. Aalbers, ‘Willem Anne van Spaen van Hardestein en de voormalige riddermatige adel (1806-1813)’, in: J. Aalbers en M. Prak (red.), De bloem der natie. Adel en patriciaat in de Noordelijke Nederlanden, Amsterdam 1987, 104-128 en 179-183
  • W.J. baron d’Ablaing van Giessenburg, De Ridderschap van Veluwe, of geschiedenis der Veluwsche Jonkers... Hoofdzakelijk getrokken uit de verzameling van handschriften van wijlen den Rijks-Vrijheer W.A. van Spaen, ’s-Gravenhage 1859
  • L. Augustus, ‘Een interessante briefwisseling tussen twee historici: S.P. Ernst en W.A. van Spaen’, in: De Maasgouw. Tijdschrift voor Limburgse geschiedenis en oudheidkunde 108 (1989), 200-209
  • De Hoge Raad van Adel. Geschiedenis en werkzaamheden, ’s-Gravenhage 1966
  • A.P. van Schilfgaarde, ‘W.A. van Spaen la Lecq’, in: De Drie Kwartieren. Tijdschrift voor Gelderland 1 (1960), 28-33
  • J.W. te Water, ‘Levensberigt van den Heer Willem Anne Baron van Spaen la Lecq’, in: Algemeene Konst- en Letter-Bode voor het jaar 1818, 1ste deel, Haarlem 1818, 146-151 en 162-170
  • H.M. Werner, ‘Mr. W.A. Rijksvrijheer van Spaan, Heer van Hardenstein; later: baron van Spaen la Lecq’, in: Geldersche Volks-Almanak 51 (1885), 18-77; 52 (1886), 201-204; 70 (1904), 252
  • H. van Wyn, Huiszittend Leeven bevattende eenige Mengelstoffen... betrekkelijk tot de Letter-, Historie- en OudheidKunde van Nederland, deel II (1812), 1ste stuk (met brieven van W.A. van Spaen uit 1801 aan A. Kluit “belangende den oorsprong van het Geslagt der Heeren van Brederode”), 184

Bronnen

  • Bij de Hoge Raad van Adel in Den Haag berust de zeer omvangrijke collectie Van Spaen met tal van historisch-genealogische aantekeningen; zie: de Inventaris van de collectie Van Spaen, ’s-Gravenhage 1951.
  • Het familiearchief Van Spaen berust eveneens bij de Hoge Raad van Adel in Den Haag; zie: Suze M. van Zanten Jut, Inventaris van het familiearchief Van Spaen, ’s-Gravenhage 1953.
  • Afschriften uit de correspondentie tussen Gerard van Hasselt en W.A. van Spaen uit de jaren 1808-1816 berusten in: Koninklijk Huisarchief in Den Haag, A32 - 402.
A.E.M. Janssen
Uit: Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 5, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Redactie: dr. J.A.E. Kuys (eindredactie), drs. C.A.M. Gietman, drs. R.M. Kemperink, E. Pelzers en dr. P.W. van Wissing. Verloren Hilversum, 2006, pagina's 121-125.