Piet Koenen
1872-1947, Parlevinker, Verenigingsman, Uitgever en Wethouder
Petrus Koenen werd op 20 februari 1872 te Millingen geboren als zoon van Bernardus Koenen (1825-1908), parlevinker, later bierhuishouder, en Maria Elisabeth Hammer (18371918), zonder beroep. Hij trouwde op 30 april 1909 te Nijmegen met de in Gendt geboren dienstbode Antje Kersten (1875-1951). Uit dit huwelijk werden vier kinderen geboren. Piet Koenen overleed te Millingen op 4 november 1947.
http://www.historici.nl/media/bwg/images/6/-023.jpg
Piet Koenen (foto: Schuttersgenootschap OEV, Millingen aan de Rijn)

Piet Koenen groeide met drie zussen en een broer op in Millingen, waar velen hun brood verdienden op de steenbakkerijen, het water en de scheepswerf. Piet kon goed leren en mocht naar de Rijkskweekschool in ’s-Hertogenbosch. Wegens geldgebrek van zijn ouders kon hij de school niet afmaken. Net als zijn vader vond hij zijn bestaan als parlevinker op de Rijn en Waal. Met een bootje ging hij de schepen langs om levensmiddelen en scheepsbenodigdheden aan de man te brengen. Hij sloot zich weldra aan bij het in 1896 opgerichte, als toneelclub begonnen, Millingse fanfarekorps ‘Ons Genoegen’, waarvan hij lange tijd (1900-1913) secretaris en later ook nog enkele jaren (1924-1926) voorzitter zou zijn. Nog langer was zijn staat van dienst bij de oudste Millingse vereniging, het uit 1852 daterende schuttersgenootschap ‘Orde, Eendracht, Vreugde’ (OEV). Daarvan was hij tussen 1902 en 1935 secretaris en vervolgens tot aan zijn dood in 1947 voorzitter-president.

Een belangrijke rol speelde Koenen in de tweespalt die aan het einde van de 19de eeuw ontstond in Millingen. De dorpselite onder aanvoering van burgemeester Karel Reijmers, steenfabrikant/wethouder Steven Arntz en pastoor Martinus Graat kwam in conflict met een groep ‘fanfaristen’ onder leiding van Koenen en schoolhoofd meester Josef van de Berg, de oprichter en eerste dirigent van ‘Ons Genoegen’. Koenen en Van de Berg namen het op voor de Millingse arbeiders, stelden misstanden in het Millingse gemeentebestuur aan de kaak en dreven de spot met de geestelijkheid. In de ogen van de dorpsbaronnen was met name het schuttersgebouw van OEV, waar ‘Ons Genoegen’ toneeluitvoeringen gaf, een broeinest van gezagsondermijning. Binnen de kortste keren was het dorp verdeeld in twee partijen, de ‘natten’ (de elite) en de ‘dreugen’ (de arbeiders). De vergaderingen van het schuttersgenootschap verliepen tumultueus; in 1901 scheidde de elite zich af en richtte een eigen schutterij op onder de naam OEV 1. Ook in de pers en de gemeenteraad kwam het tot felle botsingen tussen beide partijen. Piet Koenen richtte in 1902 zelfs speciaal een krant op om de aanval op de gevestigde orde te openen. Het optreden van steenfabrikant Steven Arntz stelde hij in De Nieuwe Courant op één lijn met het despotische regime van de Russische tsaar. Burgemeester Reijmers danste volgens Koenen naar de pijpen van Arntz. In een reeks satirische artikelen nam hij de toestand in ‘Peppeldorp’ op de korrel. Er werd, aldus Koenen, met twee maten gemeten. Zo kon de elite in de plaatselijke herberg (gerund door familie van de burgemeester) tot ver na sluitingstijd doorborrelen, terwijl tegen hemzelf en enkele medestanders proces-verbaal werd opgemaakt wegens ‘koffiehuisovertreding’. Koenen en de zijnen weigerden de opgelegde gulden boete te betalen en kozen voor een dag hechtenis. Zij lieten zich in hun beste pak en met hoge hoed op demonstratief met een koets naar de gevangenis rijden om een dag te zitten. Toen zij de andere dag terugkeerden werden zij in Millingen door een grote menigte toegejuicht.

Koenen schroomde ook niet bij de regering in ’s-Gravenhage aandacht te vragen voor de ‘wantoestanden’ in Millingen. Hij stuurde minister Abraham Kuyper van Binnenlandse Zaken enkele exemplaren van zijn krant op, en verzocht hem in te grijpen en een einde te maken aan het ‘familiebewind’ en financieel wanbeheer van burgemeester Reijmers. De Gelderse commissaris van de koningin J.H.M. baron Mollerus van Westkerke stelde op verzoek van Kuyper een diepgaand onderzoek in. Vertegenwoordigers van de strijdende partijen, ook Koenen, werden ontboden om op het provinciehuis inlichtingen te verstrekken. De verslagen hiervan laten zien hoe woedend de elite was op Koenen. Steven Arntz en de zijnen protesteerden heftig tegen diens ‘schendblad’. Eén van de ‘natte’ schutters meldde de commissaris zelfs dat Koenen destijds wegens wangedrag van de Rijkskweekschool was verwijderd. Mollerus kwam tot de conclusie dat Reijmers zeker fouten had gemaakt, maar hij zag onvoldoende reden om te adviseren tot heenzending van de burgemeester. Kuyper was minder mild. Hij oordeelde dat Reijmers het zo bont had gemaakt dat hij beter kon opstappen. Maar op aandringen van Mollerus mocht hij uiteindelijk toch blijven.

De krant van Koenen, in de ogen van Steven Arntz “een misbaksel van geboorte, dun van vel en vies van inhoud”, was geen lang leven beschoren. Naast de satire had zij de lezers ook niet veel te bieden. Plaatselijke nieuwtjes stonden er nauwelijks in en Millingse advertenties waren een uitzondering. De middenstanders in het dorp behoorden tot de ‘natten’ of durfden niet in de krant te adverteren uit vrees voor verlies van klandizie. Na anderhalf jaar hield het blad op te verschijnen.

Koenen bleef zich echter roeren en richtte zijn pijlen nu op de politiek. In 1912 slaagde hij erin een raadszetel te veroveren. Samen met enkele gelijkgezinden vormde hij een progressieve katholieke fractie. De Millingse geestelijkheid maakte zich grote zorgen over de activiteiten van deze ‘rooien’. In verkiezingspamfletten werd gewaarschuwd niet op Koenen en de zijnen te stemmen. Het baatte niet. Koenen werd in 1915 zelfs tot wethouder gekozen. Op zijn initiatief kwamen onder meer loonsverhogingen voor gemeentewerklieden tot stand. In de gemeenteraad kruiste Koenen regelmatig de degens met burgemeester Reijmers. In 1919 verliet hij demonstratief de vergadering uit protest tegen het dominante optreden van de burgemeester. Twee jaar later diende hij zelfs een motie van afkeuring in tegen Reijmers omdat deze tijdens de kermis de troon van OEV 1 had bestegen. Dat was volgens Koenen in strijd met de onpartijdige positie die de burgemeester diende in te nemen. Reijmers stelde echter dat het ging om een particuliere aangelegenheid waar de raad niets mee te maken had en weigerde de motie in stemming te brengen.

De verhouding tussen Koenen (wethouder van 1915 tot 1923 en van 1927 tot 1935) en de burgemeester bleef ook in latere jaren gespannen. Toch was het Piet Koenen die, toen Reijmers in 1931 wegens ziekte de raad niet kon voorzitten, hem namens de gemeenteraad een spoedig herstel toewenste. Ook sprak hij een jaar later bij het afscheid van Reijmers zijn waardering uit voor wat de burgemeester voor Millingen had gedaan. En bij het overlijden van Reijmers in 1941 besloot de raad op voorstel van Koenen voor het presentiegeld van een raadsvergadering missen te laten lezen voor zijn zielenheil.

De kinderen van Piet Koenen leden overigens wel onder de politieke activiteiten van hun vader. Zij werden in het dorp uitgescholden voor ‘schosmalisten’(socialisten). Op de door zusters geleide katholieke dorpsschool moesten zij met medeleerlingen in de klas bidden dat alleen ‘goede katholieken’ zouden winnen bij de raadsverkiezingen. De tweelingzussen Cor en Mies pikten dat niet en stapten op. “Dat hebben jullie goed gedaan”, zei vader Piet toen ze thuiskwamen, en hij deed hen vervolgens op de openbare school. Ofschoon hij veel had aan te merken op de manier waarop katholieken in Millingen zich gedroegen, heeft Piet Koenen zich nooit afgewend van de kerk en het geloof. “Nooit deden wij dingen in strijd met het kerkelijk belang”, aldus Koenen tegen een verslaggever van het socialistische blad Voorwaarts, die hem in 1925 kwam opzoeken. “De heer Koenen maakte op ons den indruk een zeer democratische en wellevende persoonlijkheid te zijn. In het dorp draagt men hem veel achting toe”, noteerde de journalist.

Koenen was een strijdbaar en rechtschapen man, die geen blad voor de mond nam. In het heetst van de strijd ging hij daarbij wel eens over de schreef en kon hij tegenstanders fors provoceren. Voor het Millingse verenigingsleven heeft hij door zijn langdurige bestuursfuncties veel betekend. De ‘gewone man’ kon altijd bij hem terecht voor raad en daad. Velen maakten daar dankbaar gebruik van. Tekenend is wel dat mensen vaak ’s avonds bij hem kwamen voor hulp of advies, overdag wilden ze niet aan de deur gezien worden. “Hij smeerde voor heel Millingen d’n botterham”, heeft iemand eens gezegd, “maar hij had eiges niks te eten.” Dat laatste viel wel mee, want Koenen verdiende naast zijn boterham als parlevinker er ook nog wat bij door zijn politieke functies. Een grote tegenslag was wel dat in de jaren ’30 zijn rietgedekte dijkhuisje door blikseminslag afbrandde. Alle bezittingen gingen verloren. Het gezin wist het brandende pand maar net op tijd te ontvluchten.

In de oorlogsjaren toonde Koenen zich een geharnaste tegenstander van de Duitse bezetters en hun handlangers. Verzoeken van de NSB om het schuttersgebouw van OEV te mogen huren voor vergaderingen, gingen de prullenmand in. “Met mijn medewerking krijgen ze het gebouw nooit, dan moeten ze het maar met geweld nemen”, sprak Koenen en het bestuur steunde hem unaniem. Na de oorlog keerde Koenen nog korte tijd terug als raadslid en wethouder. Bij de herbegrafenis van vijf omgekomen Britse vliegers in oktober 1945 hield hij een toespraak die veel indruk maakte. “We hebben de Duitsers eruit gebonjourd en ze komen er nooit meer in.”

Koenen overleed na een kort ziekbed in 1947. De verslagenheid was met name bij het schuttersgenootschap OEV groot. “Er is een edel en rechtvaardig mens van ons heengegaan”, aldus de vice-voorzitter. Alle leden gaven een gulden om een mooie grafsteen (met foutief geboortejaar!) voor hun voorzitter te kunnen realiseren. Daarnaast werden er twintig missen voor hem gelezen. Het gemeentebestuur stelde nog in hetzelfde jaar voor een straatnaam naar de oud-wethouder te vernoemen. Dat ging niet zonder slag of stoot, want ook in het naoorlogse Millingen was er nog een duidelijke scheidslijn tussen ‘nat’ en ‘dreug’. ‘Natte’ raadsleden maakten bezwaar en stelden dat dan ook oud-burgemeester Reijmers een straatnaam verdiende. Na veel gepraat kreeg Koenen zijn straat, Reijmers volgde later. Een halve eeuw na zijn dood blijkt Piet Koenen nog niet vergeten. In 2005 gaven de redacties van De Gelderlander en het Millings Jaarboek ‘de Pieter Jelles Troelstra van Millingen’ een plaats in de top tien van markante dorpsbewoners.

Literatuur

  • J. de Roos, ‘Rooien en Roomsen in Millingen in de jaren ’20’, in: De Rooie Klinker 12 (1994), nr. 111, 28-32, nr. 112, 28-32, nr. 113, 24-27
  • J. de Roos, Een eeuw fanfarekorps ‘Ons Genoegen’ Millingen aan de Rijn 1896-1996, Millingen aan de Rijn 1996
  • Th. en J. de Roos, Dreug ôn den diek. 150 jaar schuttersgenootschap Orde, Eendracht Vreugde Millingen aan de Rijn, Millingen aan de Rijn 2002
  • G. Willems, ‘De Pieter Jelles Troelstra van Millingen’, in: De Gelderlander, 3 november 2005

Bronnen

  • Nationaal Archief (’s-Gravenhage), Archief Ministerie van Binnenlandse Zaken, Kabinet, 1900 e.v.
  • Gelders Archief (Arnhem), Archief commissaris van de koningin, Kabinet, 1900 e.v.
  • Regionaal Archief Nijmegen, Gemeentearchief Millingen aan de Rijn, raadsnotulen en notulen B&W 1915 e.v., bevolkingsregister, persoonskaarten
  • Archief schuttersgenootschap OEV, Millingen aan de Rijn, notulenboeken 1899 e.v.
  • Archief fanfarekorps Ons Genoegen, Millingen aan de Rijn, notulenboeken 1924 e.v.
Jan de Roos
Uit: Biografisch Woordenboek Gelderland, deel 6, Bekende en onbekende mannen en vrouwen uit de Gelderse geschiedenis. Redactie: drs. I.D. Jacobs (eindredactie), drs. C.A.M. Gietman, drs. R.M. Kemperink, dr. J.A.E. Kuys, E. Pelzers en dr. P "van Wissing .W.". Verloren, 2007, pagina's 71-73.